Hoe wordt de niet-vergoedbare periode berekend?

Wanneer je als werknemer werkt en loon ontvangt, geef je deze dagen aan op je controlekaart.

Als je relatief veel in een korte periode verdient, dan kun je een extra niet-vergoedbare periode verwachten.

De formule voor het berekenen van deze periode houdt rekening met:

  • je verdiende brutoloon;
  • het aantal geschrapte dagen op je controlekaart;
  • het refertedagbedrag van €203,07 per dag (er wordt steeds rekening gehouden met de index geldig op de dag van de prestatie).

💡Het refertebedrag: is het dagbedrag dat de RVA gebruikt in haar berekening.

Wie gedurende de referteperiode gemiddeld meer heeft verdiend (per dag) dan dit refertebedrag, riskeert een aantal niet-vergoedbare dagen.

De berekening gebeurt steeds per kwartaal. De berekening van het eerste kwartaal gebeurt op 1 oktober, die van het tweede kwartaal op 1 januari enz.

 

Voorbeeld

Situatie

Je geniet kunstwerkuitkeringen vanaf 01.10.2024.

Je hebt het volledige eerste kwartaal van 2025 gewerkt (januari, februari en maart 2025) en 17.000 EUR bruto verdiend.

Nadien werk je voor de hele maand april 2025 (26 dagen in R6). Jouw loon van deze maand bedraagt 3.000 EUR.

In mei en juni 2025 ben je werkloos.

 

Berekening

De berekening van het aantal niet-vergoedbare dagen ziet er als volgt uit:

  • op 01.10.2025 voor het eerste kwartaal van 2025:

[17.000 – (78 x 203,07)] / 203,07 = 5.71 dagen

-> Het gaat hier om 5 bijkomende niet-vergoedbare dagen.

  • op 01.01.2026 voor het tweede kwartaal van 2025:

[3.000 – (26 x 203,07)] / 203,07 = -11.23

Het resultaat is 0 of negatief: Er is hier geen bijkomende niet-vergoedbare dag.

 

💡Het resultaat wordt steeds naar beneden afgerond en beperkt tot een volledig kwartaal (78 dagen). Een niet-vergoedbare periode zal dus nooit langer kunnen zijn dan 1 kwartaal.